Verkavelen met de Wilg

Ondersteuning bij het realiseren van doelen bij gebiedsinrichting

Met het instrument landinrichting uit de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) kunt u als provincie concrete doelen realiseren voor de inrichting van een gebied. Denk aan bufferzones rond Natura 2000-gebieden, verbetering van de verkaveling van agrarische bedrijven of waterberging. Bij de uitvoering zijn gemeenten en waterschappen nauw betrokken.

Waarbij wij u kunnen helpen:

  • aanvullende informatie over verkavelen met de Wilg
  • ondersteuning bij het voorbereiden en uitvoeren van een landinrichtingsproject
  • uitvoering specifieke taken voor het inrichtingsplan, wettelijke herverkaveling en kavelruil
  • informatie over de rechtstoestand van percelen

Video

Bekijk hoe een verkaveling in zijn werk gaat en wat daarbij de rol van het Kadaster is op deze video.

Vraag en antwoord

Het Kadaster voert specifieke taken uit voor het inrichtingsplan, wettelijke herverkaveling en kavelruil. Dit omdat wij een wettelijke taak hebben: het waarborgen van de rechtszekerheid. Daarnaast is onze informatie over de rechtstoestand van percelen heel belangrijk bij de voorbereiding en uitvoering van landinrichtingsprojecten.

Sinds 2007 zijn de afzonderlijke provincies (Gedeputeerde Staten) verantwoordelijk voor de inzet van het instrument landinrichting. Maar zij hoeven niet alles zelf te doen. Zij kunnen bijvoorbeeld hun bevoegdheden overdragen aan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 81 van de Provinciewet of aan een ander orgaan. Verder is afgesproken dat gemeenten en waterschappen nauw betrokken worden bij de feitelijke uitvoering.

De bestaande situatie is bepalend voor de keuze van wat nodig is, en welke keuze moet worden gemaakt uit de verschillende instrumenten. Vragen die daarbij aan de orde komen zijn bijvoorbeeld: 

  • Hoe ziet de ruimtelijke structuur van een gebied eruit? 
  • Wat is de verkavelingssituatie? 

Het adviesschema voor instrumentkeuze is een hulpmiddel om op basis van verschillende criteria te bepalen welk instrument het meest geschikt is voor een bepaald project. De ruimtelijke structuur en de verkavelingssituatie van een gebied zijn daarbij uitgangspunten. Maar ook grondposities en grondmobiliteit zijn van belang. Daarnaast speelt het draagvlak bij bestuurders en belanghebbenden voor de doelrealisatie en voor het te kiezen instrument een rol.

De criteria voor instrumentkeuze hebben betrekking op complexiteit, noodzaak en urgentie.

De complexiteit wordt in de eerste plaats bepaald door het aantal doelen dat moet worden gerealiseerd. Daarnaast speelt de oppervlakte waarvoor een functieverandering nodig is een rol. Zo kan er sprake zijn van een te realiseren oppervlakte voor waterberging of voor Natuurnetwerk Nederland. Ook de mate van vergroting van huis- en veldkavels maakt onderdeel uit van de complexiteit. Een ander aspect is het doelbereik: moet een gehele zone ecologisch worden ingericht of kan worden volstaan met stepping stones? Als laatste speelt de flexibiliteit van de locatie een rol. Moet een fietspad van A naar B worden aangelegd (flexibel tracé) of ligt het exacte tracé vast?

Bij de criteria noodzaak en urgentie gaat het vooral om tijdsdruk en bestuurlijke ambitie.

Als op alle criteria hoog wordt gescoord, leidt het adviesschema tot wettelijke herverkaveling of onteigening. Een belangrijk verschil tussen deze twee instrumenten is dat onteigening doelrealisatie op een bepaalde plek mogelijk maakt, terwijl wettelijke herverkaveling de mogelijkheid biedt tot doelrealisatie voor een geheel gebied. Een onteigening voor bijvoorbeeld de aanleg van een weg leidt weliswaar tot realisatie van die weg, maar veroorzaakt tevens een versnipperd grondgebruik. Met een wettelijke herverkaveling kan een weg worden gerealiseerd en tegelijkertijd de verkaveling worden verbeterd. De instrumenten onteigening en wettelijke herverkaveling kunnen ook gecombineerd worden ingezet.

De onteigeningswet biedt mogelijkheden voor onteigening op basis van in de wet opgenomen onteigeningstitels. Deze titels geven aan voor welke plannen of werken er onteigend kan worden.

Zo kan er onteigend worden voor de aanleg van wegen en spoorwegen, het versterken van dijken en het realiseren van ruimtelijke plannen, maar ook voor het realiseren van inrichtingsplannen als bedoeld in de Wilg. Onteigening wordt gezien als de zwaarste vorm van overheidsingrijpen en wordt slechts bij uitzondering toegepast.

Voorafgaand aan een onteigening wordt altijd geprobeerd de benodigde onroerende zaken op minnelijke basis te verwerven. Onteigening biedt zekerheid over realisatie ter plekke. Voor een integrale gebiedsaanpak is het instrument echter te beperkt, tenzij het gecombineerd met wettelijke herverkaveling wordt ingezet.

Sectorale planmatige kavelruil

In verschillende regio’s is de afgelopen periode planmatige kavelruil gericht ingezet om een enkel doel te realiseren. Deze werkwijze wordt 'sectorale' planmatige kavelruil genoemd. Het gaat dan vaak om landbouwkundige structuurverbetering. De hierbij toegepaste werkwijze is anders dan in de projecten waarbij verschillende doelen worden gerealiseerd.

Integrale planmatige kavelruil

Als er meer dan één doel bereikt moet worden bij inzet van planmatige kavelruil, bijvoorbeeld de aanleg van een weg en verbeteringen voor de landbouw, wordt dit 'integrale' planmatige kavelruil genoemd.

Gedeputeerde Staten kunnen besluiten tot toepassing van landinrichting door het vaststellen van een inrichtingsplan. Bij wettelijke herverkaveling is het opstellen van een inrichtingsplan verplicht.

Het inrichtingsplan moet de volgende informatie bevatten:

  • de begrenzing van het gebied, de maatregelen en voorzieningen die worden gerealiseerd, en de gevolgen hiervan voor de gestelde doelen
  • de te verwerven onroerende zaken
  • een nauwkeurige raming van de kosten die betrekking hebben op wettelijke herverkaveling, en het aandeel van die kosten dat ten laste komt van de gezamenlijke eigenaren
  • een kaart met de begrenzing van het gebied, de begrenzing van het herverkavelingsblok, de te realiseren voorzieningen, de te verwerven onroerende zaken en de toepassing van een eventuele korting

Een inrichtingsplan onder de Wilg heeft een wettelijke status. De besluiten in een inrichtingsplan zijn voor iedereen bindend.

De doorlooptijd van het opstellen van een inrichtingsplan wordt vooral bepaald door de complexiteit van de inrichtingsopgave, de concreetheid van de opgave, de omvang van het gebied en het beschikbaar hebben van voldoende menskracht en financiële middelen. Bij een concrete niet te complexe inrichtingsopgave, waarbij duidelijk is welke maatregelen moeten worden genomen, is het mogelijk in 6 maanden tijd een inrichtingsplan op te stellen. Is de opgave complex en nog nauwelijks uitgewerkt, dan moet hier ongeveer 1 jaar voor worden uitgetrokken. De uitvoering kan dan starten na 1,5 tot 2 jaar. Rekening houdend met het instellen van beroep is de gemiddelde doorlooptijd naar schatting 2 tot 2,5 jaar.

Gedeputeerde Staten overleggen met in ieder geval burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten en de dagelijkse besturen van de betrokken waterschappen over het inrichtingsplan en verwerken eventuele adviezen. Daarna wordt het inrichtingsplan ter inzage gelegd. Belanghebbenden in het betreffende gebied worden hierover tijdig ingelicht. De termijn van terinzagelegging is 6 weken. Gedurende deze 6 weken kunnen zienswijzen worden ingediend. Vervolgens kunnen betrokkenen worden gehoord, waarna het inrichtingsplan wordt vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met de ingediende zienswijzen.

Hebt u een vraag waarop u het antwoord niet kon vinden? Neem dan contact op met de klantenservice Ruimte en Advies op telefoonnummer 088 - 183 22 00 optie 2. Onze medewerkers zijn u op werkdagen van 9.00 tot 17.00 uur graag van dienst. Of stel uw vraag direct via het contactformulier.