Een nieuwe driehoeksmeting in Nederland

Al vrij snel na de invoering van het Kadaster blijkt dat de kwaliteit van de kadastrale kaarten niet goed is en dat de kaarten van diverse gemeenten niet op elkaar aansluiten. Om dit probleem structureel op te lossen is een nieuw, landelijk driehoeksnet nodig. Het driehoeksnet van Krayenhoff van omstreeks 1810 voldoet niet meer. In 1885 begint de Rijkscommissie voor graadmeting en waterpassing, het huidige Nederlands Centrum voor Geodesie en Geo-informatica (NCG), daarom met de opbouw van een nationaal driehoeksnet. Van markante punten, meestal spitsen van kerktorens, worden zeer nauwkeurig de x- en y-coördinaten berekend. De Onze Lieve Vrouwetoren in Amersfoort wordt het nulpunt van het assenstelsel waaraan de coördinaten zijn gerelateerd. Om praktische redenen verschuift het nulpunt rond 1960 naar een fictief punt in Frankrijk.

De Rijkscommissie begint met het opmeten van circa 77 punten verspreid over het land, het eerste-orde net. Later worden tussenliggende punten gemeten en berekend. Het complete net van de Rijksdriehoeksmeting, in totaal circa 5.600 coördinaatpunten, is in 1928 klaar. Sinds 1930 is het Kadaster verantwoordelijk voor het in stand houden van de RD-punten.

De metingen voor de Rijksdriehoeksmeting worden tegenwoordig gedaan met satellietplaatsbepalingssystemen, onder andere GPS. Met speciale landmeetkundige ontvangers worden satellietsignalen ontvangen, waaruit nauwkeurige coördinaten worden berekend. Dit gaat vele malen sneller dan de traditionele metingen met theodolieten (hoekmeetinstrumenten) en afstandsmeters. Om het voor andere landmeters met satellietapparatuur mogelijk te maken op eenvoudige wijze aan te sluiten op het landelijke coördinatenstelsel, is in jaren 90 van de vorige eeuw het Kernnet gerealiseerd. Dit zijn goed toegankelijke punten in het terrein, dus geen kerktorens, waar de landmeter zijn eigen apparatuur kan opstellen en waar satellietsignalen ongestoord kunnen worden ontvangen.